
Het feest dat wij Pasen noemen heet in de Bijbel Pesach. Het gaat om een door God ingesteld feest bij de uittocht uit Egypte. Israël had vele jaren in slavernij doorgebracht. Na de belofte van een groot volk, die God aan Abraham gedaan had waren er 430 jaar verstreken. Niet die hele 430 jaar waren slaven-jaren. De eerste tijd was het wachten op de belofte, zoon Izaäk, daarna Jakob, werken bij Laban, Rachel en Lea die met Jakob trouwen, de zonen van Jakob, de wegvoering van Jozef, de tocht van de familie van 70 naar Gosen en uiteindelijk het verblijf in het land Gosen in Egypte. Pasen is bevrijding, maar voordat het Pasen wordt gebeurt er heel veel. De druk wordt meer en meer en de noodzaak van bevrijding wordt gevoeld. Diep doorleefd kan je zeggen. We gaan eens kijken hoe het allemaal begon. Bij Abraham.
Genesis 12: 1 De HEERE nu zei tegen Abram: Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal.2 Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn. 3 Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.4 Toen ging Abram op weg, zoals de HEERE tot hem gesproken had, en Lot ging met hem mee. Abram was vijfenzeventig jaar oud, toen hij uit Haran vertrok.
Abraham werd midden uit zijn eigen wereld geroepen naar een onzekere toekomst. Hoe duidelijk de stem van God voor hem was weet ik niet. Wel dat hij samen met zijn familie inderdaad vertrok. Voor mij betekent dit vandaag: Ben ik bereid om te gaan!? Wat God ook vraagt? De gehoorzaamheid van Abraham was een levenslang avontuur. En meer dan dat. De gevolgen merken we tot aan vandaag. Nog steeds is er Iraël. Nog steeds zijn er de volken rondom, die ook uit Abraham voortkomen. Als God roept is dat dikwijls voor een toekomst die wij niet kunnen overzien. Het gaan niet altijd om mijn leventje. Dat ook, maar ook ver daar voorbij.
