NU!
Straks ga ik mijn kamer opruimen en ook mijn administratie regelen. Dan moet ik ook mijn preek nog voorbereiden, maar eerst ga ik nog naar vrienden. Mijn werk aan een boekje moet ik eigenlijk ook eens afmaken, maar er komt nog niet echt wat van. Ik zou ook eens moeten stoppen met....en zo zijn de dagen al gauw gevuld met dingen die EIGENLIJK moeten. En nog meer gevuld met zórgen over dingen die eigenlijk hádden gemoeten. Daarom ga ik NU doen wat ik nu kan doen en maak mij geen zorgen meer over morgen. Leven in het NU is zo'n postmodern boekje, maar volgens mij is het afgekeken. Van Jezus, wel te verstaan. We zouden er gelukkiger van worden, ook als christenen.De 10 geheimen der wetteloosheid.

1 Zorg goed voor je eigen lichaam, gezondheid en geluk en voorspoed. Je identiteit is het belangrijkste wat er bestaat. Je hebt maar één leven en dat is hier en nu. Let op dat niemand je in de weg staat om jezelf te ontplooien.
2. We zijn in een beeld-tijdperk gekomen. Te lang heerste het verstand. Beelden zijn het belangrijkste in je leven. Je ratio voorkomt dat je je beelden begrijpt en vormen een barriere naar je bestemming. Alles wat in de hemel is, de sterren, de astrologie, alles wat op de aarde is, dieren, vissen, bomen, vereeuwig ze en let op hun taal. Je dromen zullen je leiden op de juiste weg.
Openbaring?God heeft op veel manieren tot ons gesproken, maar nu - in het laatst der dagen - spreekt Hij door de Zoon. Alle verwarring in vooral evangelisch Nederland komt doordat we dat onvoldoende accepteren. Nog steeds uit zijn op allerlei ervaringen náást of zelfs búiten de Zoon om. Het (geopenbaarde) geheimenis van de Zoon is hét antwoord op elke verdeeldheid. Hij is het Licht, het Woord, de Waarheid. Niet al onze programma's, onze ervaringen, onze dogma's. Er is maar één weg mogelijk en dat is de weg van de Zoon. Dat elk mens verschillend is geschapen en een andere wijze heeft van kennis toto zich nemen is zeker waar. Maar het gaat wel altijd om kennis van de Zoon, die tot de Vader leidt. Hém heeft de Vader de Naam boven álle naam gegeven. Onze theologie van de drie-enige God staat ons in de weg om hiervan de grootheid te zien. Ik vond het nooit zo heel erg om als menselijk denk-kader de formule van de drie-eenheid te gebruiken. Maar ons denk-kader schiet een eeuwigheid te kort om het mysterie, het geheimenis van de Zoon te begrijpen. Het gaat zoveel dieper dan drie personen in één. Het is - gezien dit hoofdstuk - ook veelmeer het geheimenis van de éne God in de éne Zoon, bekend gemaakt door de Geest van die éne God, die het uit de Zoon neemt en het ons bekend maakt. De God van mijn vader XXV Leven en doodIn die tijd werd ik geconfronteerd met de dood. Kort achter elkaar behandelde ik als politieman een paar dodelijke ongevallen. De eerste dode was een non van 23 jaar. Achter in de auto bij twee pastors waren ze over de Merwedebrug in Vianen gescheurd en uit de bocht gevlogen. Eén van beide pastores was zwaar gewond. Zijn kaak was verbrijzeld en het zag er ernstig uit voor hem. Het meisje lag in de berm, mooi en onbeschadigd. Maar wel dood. Verdoofd en verbaasd handelde ik de nodige formaliteiten af. We zeggen 1973 en alles was nogal primitief. Het meisje werd op een brancard achter in de volkswagenbus van de politie gelegd en ik moest haar naar de aula in Lexmond rijden. Samen met meneer Stokman, een oude man die slachtoffers aflegde, droeg ik haar naar binnen en hielp hem het meisje te ontkleden, te wassen en een pyjama aan te trekken. Het naakte lichaam van de non, met haar lange witte sokken is mij altijd bijgebleven. Het was raar dat ik haar ontkleedde en haar naaktheid zag en aanraakte. Dat was nog vreemder dan het aanraken van een dode. Ze was net zo oud als ik. En ouder zou ze niet worden. Was ik geschokt? Dacht ik aan dood en leven, hemel en hel? Wat had God hiermee te maken? Haar ouders moesten haar identificeren en deden dat bidden en kruisjes makend. Raar vond ik. Maar wel mooi. Roomse mensen wisten wat ze te doen stond bij een dode. Ik “wist” dat het niks uit zou halen. En zeker niet voor een non. Maar mooi was ze wel! En zou zo iemand dan naar de hel gaan? Ik verdrong de gedachte. Kon er ook nauwelijks over praten. Niet met collega’s, niet thuis. De God van mijn vader zou niet twijfelen. Nonnen waren niet uitverkoren, dan zouden ze geen nog geweest zijn. En zeker niet non gebleven zijn. God had een arm en ellendig volk. Geen jonge, mooie nonnetjes.
|
De God van mijn vader XXVI De dood en daarnaHet sterven speelde een grote rol in mijn leven. Vanaf het begin. In het doopformulier wat mij werd voorgelezen toen ik er nog niets van verstond staat: “opdat zij dit leven (hetwelk toch niet anders is dan een gestadige dood) om uwentwil, getroost, verlaten, en ten laatsten dage voor den rechterstoel van Christus, uw Zoon, zonder verschrikken mogen verschijnen” Dat was het sindsdien ook: een gestadige, voortdurende dood. In feite was niets écht belangrijk in dit leven. Het was ijdelheid, lucht en leegte zouden we nu zeggen. Het ging maar om één ding: Hoe word ik behouden. Hoe krijg ik een “borg voor mijn ziel”. En hoewel het daarom ging kon je er niets aan doen. Daarbij werden vreemde uitdrukkingen gebruikt:”Je kan geen nagelschrapseltje toevoegen aan je zaligheid” Wie dat nagelschrapseltje had bedacht en hoe het er precies uitzag wist ik niet, maar het klonk altijd wel indrukwekkend. Wat die doop precies betekende was ook nogal onduidelijk. Je was op het “erf van het verbond” geboren en moest daar blij mee zijn. Tegelijk hield het geen bevoorrechte positie in. Iedereen, ook ongedoopten, konden uitverkoren zijn. En als jij als gedoopte niet uitverkoren bleek te zijn - en dus door eigen schuld verloren zou gaan - zou dat “gedoopte voorhoofd” nog tegen je getuigen. Ik nam het allemaal bloedserieus. Ik wilde - toen al - weten wat de waarheid was. En dit was natuurlijk waar, want de enigen die het konden weten, mijn ouders en mijn opa’s en oma’s, brachten het mij bij. Tot aan de dood was er altijd een kans om gered te worden. Daarna niet meer, want “zo de boom valt zo blijft hij eeuwig liggen”. Sombere waarheid, die niet gold voor rooms katholiek mensen. Die baden voor overledenen. Dat was zonde. Het werd er alleen maar erger van. Al vroeg las ik het boekje “Anton en zijn vrienden” van Vreugdenhill. Een vreselijk boekje, waarin een jonge Anton, die door het ijs was gezakt na schaatsen op zondag, komt te sterven. Schreeuwend ging hij dood: ”voor eeuwig te laat!” Zijn ouders zater en zwijgend bij en hadden geen oplossing, laat staan troost. Het staat nog op de uitleenlijst van sommige kerken!
|